Wat gebeurt er in het water?

Het water wil je eigenlijk naar boven duwen. In hoeverre dit gebeurt, hangt af van de totale inhoud en het volume dat in het water ligt. Meer armen, benen romp en hoofd in het water, zorgt voor een hogere druk naar boven. Een verschijnsel dat komt door de wet van Archimedes.

Deze wet leert je dat een voorwerp of lichaam, ondergedompeld in water, een opwaartse kracht ondervindt. En deze kracht is gelijk aan het gewicht van de hoeveelheid water die verplaatst wordt.

Wist je dit?

Wanneer je aan het zwemmen bent is de wet van Archimedes van toepassing. Wat houdt dat in? En wat wordt bedoeld met de opwaartse kracht in het water? Er zijn drie soorten weerstanden wanneer je in het water zit. Welke zijn dit? Dit en meer in het artikel van vandaag.

Wat is opwaartse kracht?

Wanneer je inademt is de opwaartse kracht van het water ook groter. Je romp wordt dan groter en hierdoor zal het water je nog harder uit het water duwen. Water laat zich namelijk zelf niet wegduwen. Het duwt altijd terug en omhoog. We leggen het je graag uit aan de hand van wat voorbeelden.

  • Iemand die slank is blijft minder makkelijk drijven in tegenstelling tot iemand die zwaarder is. Dit komt door het feit dat de slanke persoon minder hard uit het water geduwd wordt dan de zwaardere persoon
  • Een jong kind dat de schoolslag doet met zijn hoofd uit het water, zal minder hard uit het water worden geduwd dan een kind wat met zijn hoofd in het water zwemt
  • Bij de enkelvoudige rugslag liggen al je lichaamsdelen in het water. Daardoor is de opwaartse druk groter dan bij bijvoorbeeld de borstcrawl. Bij de borstcrawl liggen namelijk niet al je lichaamsdelen in het water liggen
  • Bij de samengestelde rugslag gaan je armen tegelijkertijd over het water heen. Je armen zijn dus net uit het water. De opwaartse kracht is op dat moment kleiner dan wanneer je armen in het water liggen. Je wordt tijdens de overhaal minder hard uit het water geduwd. Je zult dus onder water gaan tot het moment dat je armen weer in het water liggen
  • Bij de vlinderslag komen zowel je armen, een deel van je romp en je hoofd tegelijkertijd uit het water. De opwaartse druk is dan dus kleiner dan bij de borstcrawl
  • Bij het vervoeren van een drenkeling die inademt en ook uitademt, zal dit een stuk makkelijker gaan dan wanneer iemand volledig uitgeademd is. Dit komt omdat een ingeademde persoon door het water meer uit het water wordt geduwd dan een uitgeademde persoon.


De zwaartekracht

De zwaartekracht is de kracht op aarde. Door deze kracht word je naar de aarde toegetrokken. Wanneer je bijvoorbeeld ergens vanaf springt, val je naar de aarde. Ook zegt het iets over hoe zwaar je bent. Je lichaamsgewicht zegt namelijk iets over de kracht waarmee je naar de aarde toegetrokken wordt. Bij het zwemmen is deze trekkracht van de aarde ook van toepassing. De zwaartekracht probeert je naar de bodem te trekken. In feite ben je dus even zwaar in het zwembad als op het land.


Zwaartekracht en opwaartse kracht

De zwaartekracht en opwaartse kracht van het water horen dus bij elkaar als je zwemt. Dit is de zogeheten koppelwerking. Aan de ene kant trekt de zwaartekracht je naar de bodem en de opwaartse kracht trekt je juist uit het water. Wanneer je drijft is de opwaartse kracht groter dan de zwaartekracht. Wanneer je zinkt is de opwaartse kracht kleiner dan de zwaartekracht. Wanneer je zweeft is de opwaartse kracht gelijk aan de zwaartekracht.


Het opdrukpunt en het zwaartepunt

Wanneer we het hebben over het opdrukpunt, dan hebben we het over het punt waarin je de opwaartse kracht kunt tekenen. Het zwaartepunt is het punt waarin je de zwaartekracht kunt tekenen. Deze punten zijn fictief, maar het verklaard waarom iemand bijvoorbeeld gaat kantelen. Het opdrukpunt ligt ten opzichte van het zwaartepunt meer naar je hoofd toe. De bouw van een persoon bepaald hoever de punten bij elkaar vandaan liggen.


Het opdrukpunt bij mannen en bij vrouwen

Wel liggen deze punten bij vrouwen dichter bij elkaar. Dit komt doordat vrouwen meer volume in de heupen hebben. Mannen hebben daarentegen een bredere borstkas. Het opdrukpunt schuift bij mannen dan meer naar het hoofd toe. Je kunt het opdrukpunt beïnvloeden door in- en uit te ademen. Maar ook door je armen, benen, romp of hoofd in het water te houden of juist uit het water te tillen.


Het zwaartepunt

Het zwaartepunt ligt aan de kant van je rug, omdat daar je wervelkolom zit. Deze is vrij zwaar en de zwaartekracht trekt daar behoorlijk hard aan. Wij kunnen het zwaartepunt zelf niet verplaatsen. Het zwaartepunt en het opdrukpunt willen graag dicht bij elkaar liggen. Als dit het geval is bij de vrouwen, dan blijft een vrouw makkelijk in balans liggend in het water. Omdat de punten bij de mannen wat verder uit elkaar liggen, kantelt het lichaam in de richting van de voeten.


Rugligging en buikligging

Wanneer we het hebben over het liggen op de rug, is dat de meest stabiele manier om in het water te liggen. Je weet nu dat de zwartekracht harder aan zwaardere delen van je lichaam trekt. Je wervelkolom is zwaarder dan de andere delen van je lichaam. Botten zijn zwaarder dan vlees. Je ligt stabiel wanneer je wervelkolom zo dicht mogelijk bij de aarde ligt (liggend op je rug). Op je buik liggen is labiel. Alleen kun je wel kijken waar je naartoe zwemt.


3 soorten weerstanden

Als je in het water zit, heb je te maken met 3 soorten weerstanden. Je hebt te maken met de frontale weerstand, de wrijvingsweerstand en de oppervlakteweerstand. Bij de frontale weerstand gaat het om het water dat tegen je aan bokst. Als je schuiner ligt in het water, botst er meer water op tegen je  en is er meer frontale weerstand. Veel frontale weerstand leidt ertoe dat je langzamer kunt zwemmen. De wrijvingsweerstand is de weerstand van het water dat langs je huid schuurt. Het water houd je tegen omdat onze huid niet glad is. De oppervlakteweerstand is de weerstand van het doorbreken van het wateroppervlak. Je doorbreekt de waterlijn of ligt in de waterlijn.


De positieve weerstand

In alles over zwemmen vind je de eigenschappen van het water. Water heeft weerstand en dat betekent dat je jezelf ertegen kunt afzetten. Dit heeft te maken met de actie/-reactie wet. Wanneer je afzet tegen water, dan ga je de andere kant op. Als je afzet naar achter, dan zwem je naar voren. Afzetten naar beneden, leidt tot een beweging naar boven. Denk bijvoorbeeld aan het behalen van je zwemdiploma A. Je moest toen vast ook watertrappelen? :)